Internationale klimaattop PARIJS

Internationale klimaattop

Van 30 november tot en met 12 december 2015 vinden in Parijs de internationale klimaatonderhandelingen plaats. Het is de 21ste keer dat landen samenkomen in de zogenaamde "Conferentie van de Partijen" (COP), georganiseerd door de Verenigde Naties. De verwachtingen voor Parijs zijn hooggespannen. Het is immers de bedoeling er de opvolger van het Kyoto-protocol te ondertekenen. Het jaar 2015 is een kantelmoment. Volgens internationale wetenschappers moeten we nu in actie schieten als we een ernstige klimaatverstoring met negatieve gevolgen voor mens en samenleving willen voorkomen. Dat maakt de klimaattop in Parijs méér dan de zoveelste conferentie: het is een cruciaal moment om de politiek wakker te schudden. Parijs 2015 kán het begin zijn van een ambitieuze klimaatpolitiek, daadkrachtig en solidair, die onze toekomst veilig stelt.

Niet helemaal mee met Kyoto en de COPs? Hieronder een korte geschiedenis van de internationale onderhandelingen.

Overzicht klimaattops

1992 : United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC)

Het VN-klimaatverdrag werd afgesloten op de Top van de Aarde in Rio de Janeiro in 1992 en trad in werking in 1994. Doel van het verdrag is de emissies van broeikasgassen te reduceren en daarmee de door de mens veroorzaakte gevolgen van klimaatverandering te voorkomen. 195 landen hebben het verdrag geratificeerd en komen jaarlijks samen in de "Conference of Parties" (COP) om te overleggen over de voortgang van het werk onder de conventie.

1997 Kyoto-protocol

Het Kyoto-protocol is een wettelijk bindend akkoord tussen de zogenaamde “Annex-I-landen” (de geïndustrialiseerde landen) om hun uitstoot van broeikasgassen in de periode 2008-2012 met gemiddeld 5,2% te verminderen ten opzichte van het basisjaar 1990. Voor de EU kwam dit neer op een reductie van 8%, België moest haar uitstoot met 7,5% verminderen. Hoewel ook ontwikkelende landen partij kunnen zijn van het Protocol, is het enkel wettelijk bindend voor de geïndustrialiseerde landen. Zij zijn immers verantwoordelijk voor het grootste deel van de historische (en huidige) emissies. Men noemt dit principe in VN-jargon "common but differentiated responsibilities". Landen moeten hun reductie voornamelijk door middel van nationale maatregelen verwezenlijken, maar kunnen ook emissierechten verhandelen via drie marktmechanismen:

  • Internationale Emissiehandel: landen die minder broeikasgassen uitstoten dan hun quotum toestaat, kunnen uitstootrechten verkopen aan landen die hun quota overschrijden. Verschillende regio’s en landen hebben ook een eigen systeem van verhandelbare emissierechten. Dat van de Europese Unie (EU ETS) geeft bijvoorbeeld uitstootrechten aan bedrijven die dan rechten kunnen bijkopen of verkopen naarmate ze meer of minder uitstoten. Met de economische crisis crashte echter de koolstofprijs, waardoor het systeem vandaag nog weinig incentive geeft aan bedrijven om hun uitstoot te verminderen.
  • Landen kunnen ook bijkomende uitstootrechten verwerven door ‘groene projecten’ in het buitenland te steunen.
    • Bij Joint Implementation (JI) vindt het project plaats in een industrieland dat deel uitmaakt van het emissiehandelssysteem.
    • Bij het Clean Development Mechanism (CDM) vindt het project plaats in een land dat geen emissiehandel voert, waaronder veel landen in het Zuiden. Een deel van de opbrengst van deze projecten financiert ook het adaptatiefonds. Dat helpt landen die nu al effecten ondervinden van de klimaatverandering.

2009 : Kopenhagen

In 2009 stond het klimaat hoog op de politieke agenda. Bijna 115 staatshoofden en regeringsleiders waren aanwezig op de COP15, dat een vervolg moest opleveren voor het in 2012 aflopende Kyoto-protocol. Hoewel dit niet lukte, werd wel voor de eerste keer consensus bereikt over de noodzaak om de opwarming van de aarde tot 2°C te beperken (ten opzichte van pre-industriële niveaus). Daarnaast kwamen ontwikkelde landen overeen om tegen 2020 jaarlijks 100 miljard dollar vrij te maken om ontwikkelende landen bij te staan in hun strijd tegen klimaatverandering.

2010 : Cancun

De 2°-doelstelling en de lange termijn klimaatfinanciering van Kopenhagen werden in Cancun officieel gemaakt. Daarnaast was er veel aandacht voor het delen van klimaatvriendelijke technologieën met ontwikkelende landen en werd het Groene Klimaatfonds opgericht om deze landen ook financieel bij te staan. Met het Raamwerk voor Adaptatie verklaarden de partijen adaptatie (aanpassing aan al bestaande effecten van klimaatverandering) op hetzelfde niveau te plaatsen als mitigatie (verminderen van de uitstoot van broeikasgassen). De Europese Unie besliste intussen tot de 20-20-20 doelstellingen: 20% minder uitstoot van broeikasgassen, 20% hernieuwbare energie en 20% meer energie-efficiëntie tegen 2020.

2011 : Durban

In Durban werd beslist om ten laatste tegen 2015 (Parijs!) een nieuw universeel klimaatakkoord af te sluiten. Een nieuwe groep, de Ad Hoc Working Group on the Durban Platform for Enhanced Action (ADP), kreeg het mandaat om een wettelijk bindend akkoord uit te werken dat in 2020 in werking zou kunnen treden. In afwachting daarvan werd tot een verlenging van het Kyoto-protocol besloten.

2012 : Doha

In Doha werd het Kyoto-protocol verlengd. Tussen 2013 en 2020 moet de uitstoot van broeikasgassen met minstens 18% dalen ten opzichte van het basisjaar 1990. Een aantal grote geïndustrialiseerde landen (Canada, Japan, Rusland en Nieuw-Zeeland) wilde zich echter niet engageren voor een 2de verbintenisperiode. Aangezien ook de VS ook deze keer niet wilde meedoen, vertegenwoordigen de landen die akkoord gaan met het 2de protocol slechts zo’n 15% van de globale uitstoot aan broeikasgassen.

2013 : Warschau

Warschau leverde een tijdlijn op voor het akkoord in Parijs. Tegen het eerste kwartaal van 2015 moeten landen hun nationale engagement voor de reductie van broeikasgassen doorgeven, tegen mei 2015 moet er een officiële kladversie van het akkoord zijn. Daarnaast werden afspraken gemaakt rond het tegengaan van ontbossing (verantwoordelijk voor 20% van de CO2-uitstoot). Er werd 280 miljoen dollar toegezegd voor ontwikkelende landen die hun bossen beschermen. Ook werd het Warsaw International Mechanism for Loss and Damage opgericht om ontwikkelende landen bij te staan bij verliezen gelinkt aan klimaatverandering en werd besloten tweejaarlijks een ministeroverleg te houden rond lange termijn financiering. Heel uitzonderlijk vond deze COP plaats in november in plaats van december. Reden? Polen wilde de COP doen samenvallen met de ‘Internationale Steenkool en Klimaat Top’ van de World Coal Association. Daarnaast kende deze COP ook een aantal ‘vreemde’ sponsors, zoals General Motors en BMW.

2014 : Lima

In Lima werd een eerste kladversie opgesteld van het akkoord van 2015. Het gaat daarbij om een aanzet van de elementen van het akkoord, waarbij elk hoofdstuk de verschillende visies van de verschillende landen bevat. Daarnaast werd een compromis bereikt over de vorm van de nationale inspanningen (Intended Nationally Determined Contributions of INDCs). Elk land moet verantwoorden hoe zijn inspanning conform is met de 2°C-doelstelling en waarom het een faire en ambitieuze bijdrage is. Naast mitigatiedoelstellingen, wordt ook aan alle landen gevraagd om te overwegen een adaptatiecomponent op te nemen. Op 1 november presenteert het UNFCCC-secretariaat een syntheserapport van de INDCs. Dan zullen we weten of we on track zijn voor 2°C in Parijs. In Lima werd ook op de valreep aan de vereiste financiering voor het Groene Klimaatfonds voldaan. België sloeg daarbij een slecht figuur door zo lang te wachten met haar bijdrage van 51,6 miljoen euro.

2015 : Parijs

The road to Paris

Het akkoord in Parijs zal niet zomaar uit de lucht komen vallen, maar het resultaat zijn van een proces van vele jaren. Eind 2014 werd een eerste versie van het akkoord opgesteld, dat een soort catalogus is van de wensen van alle partijen. Over de verschillende onderhandelingspunten moet in de loop van 2015 consensus worden bereikt. In februari werd daartoe een eerste poging gedaan in Genève. Het ontwerpakkoord dikte er echter aan tot 86 pagina’s. In juni vindt opnieuw een grote meeting plaats in Bonn. Daar zullen wel degelijk knopen moeten worden doorgehakt. Later op het jaar volgen dan nog één of twee sessies, om in december in Parijs tot een finaal (en hopelijk wettelijk bindend) akkoord te komen. Wat betreft de INDCs lopen de engagementen momenteel binnen. Zo beloofde de EU een reductie van 40% tegen 2030. In november zal het IPCC de verschillende ambities samenleggen en kijken ze de ‘ambition gap’ dichten met de 2°C-doelstelling. Is dit niet het geval, dan zal er snel vooruitgang moeten worden geboekt. Er is dan immers nog slechts een maand te gaan tot Parijs. Belangrijk is ook dat er in Parijs maatregelen worden getroffen om de periode tot 2020 (wanneer het nieuwe akkoord moet ingaan) te overbruggen. Een ambitieus klimaatakkoord is immers weinig waard als we de komende vijf jaar onze ambitie laten slabakken.